Chaos

Er was eens een vrouw die hield van orde en netheid. Ze legde consequent haar pennen in het daarvoor bestemde bakje, stopte losse blaadjes in ordners en zette de ordners vervolgens keurig op kleur en hoogte gerangschikt in een kast. Nu wil het toeval dat zij trouwde met een man die hield van wanorde. Chaos maakte hem gelukkig.
Op een dag besloot het echtpaar om per automobiel naar Delft te gaan. Toen de vrouw wilde instappen, viel ze bijna van haar eierstokje. Zeilen, latten, een oude jas, vuurpijlen, spullen, spullen, overal spullen. Ze schoof wat rommel opzij en nam plaats.
In Delft regende het.
‘Laat me een paraplu voor je pakken,’ zei de man graaiend tussen de rommel in de kofferbak. ‘Nondeju,’ gromde hij opeens, ‘mijn sleutels.’
In een hoekje diep tussen bank en kofferbak lag de sleutelbos, onbereikbaar voor mensenhanden. Even staarde hij naar de glimmende bos, kwam toen in actie. De kofferbak moest leeg! Zeilen, touwen, vuurpijlen en oude jas belandden op de stoep. Het hielp niet, de sleutels bleven onbereikbaar. Hoe hoger de berg spullen op het trottoir, hoe meer gezichten er achter de vensters van de grachtenpanden verschenen. De vrouw verborg zich steeds dieper onder een grote paraplu.
‘Ik had toch nog ergens een stukje ijzerdraad?’ bromde de man. Hij kroop zover in de kofferbak dat alleen zijn voeten er uitstaken. Voetje voor voetje schoof de vrouw naar achter. Hier hoorde ze niet bij.
‘Yes!’ klonk het opeens door de straat. Triomfantelijk stak de man zijn sleutelbos omhoog. ‘Met een stukje ijzerdraad gedaan! Zo zie je maar weer. Je moet altijd van alles bij je hebben.’
‘Zo is het,’ zei de vrouw, ‘maar kunnen we nu eindelijk gaan wandelen?’

Iedere gelijkenis met bestaande personen berust op louter toeval.

Herinneringen

Vanuit de verte zwaait het lichtgroene bordje ‘te koop’ ons een hartelijk welkom toe. De lentezon zet het schip in een glans die met geen verf na te bootsen valt. Haar twee houten masten steken fier en zelfverzekerd de lucht in. Net zo enthousiast als de eerste koeien in de wei, danst en buitelt onze Spitsgatkotter op de golfjes van het Markermeer. Dikke, zwarte lijnen houden haar echter stevig op haar plaats. Haar spitse kontje ligt richting de steiger, haar kop richting het water. Het vereist van ons zowel enig klauterwerk als diverse evenwichtstechnieken om aan boord te komen. Het schip lijkt vol ongeduld en werkt niet mee. Hijsen jullie die zeilen nou maar, lijkt ze te roepen, de rest kan ik zelf! Zodra we de kajuitdeur openen, worden we overspoeld door beelden van vroeger. Op tafel staat een whiskyfles, een zak borrelnootjes ligt ernaast. We horen een mengeling van kinderstemmen en bulderende lachsalvo’s van volwassenen. De geuren van diesel, zout water en boenwas kringelen onze neuzen binnen. Een jongen van zeven speelt aapje aan een glijstang naast het trapje, even later staat dezelfde (maar oudere) jongen, op het achterdek aan het roer. De moeder (een jongere, strakkere versie van mezelf) bakt spiegeleieren in de kombuis en vraagt of er al land in zicht is.
‘Zullen we hier dan maar beginnen met opruimen?’
De beelden vervagen, de realiteit neemt het over. Het schip wordt verkocht, alle persoonlijke spullen moeten eraf. Daarna schoonmaken en oppoetsen. IJverig doorloop ik de vertrekken, stop oude herinneringen in vuilniszakken.
Voordat we een paar uur later de haven verlaten, kijken we nog een keer om. Het schip danst nog steeds op het water, maar het is net alsof haar ene mast wat minder fier rechtop staat dan toen we kwamen.

Een eigen plek

‘Heb je zin om mee te gaan?’ vraagt een goede vriendin.
‘Natuurlijk,’ antwoord ik, ‘waarheen?’
‘Een opstellingsochtend met als thema het innemen van je eigen plek.’
‘Gaaf,’ roep ik enthousiast, ‘schrijf mij maar in.’

Afgelopen zaterdag was het zover. Na een rit van anderhalf uur arriveren we bij een allerliefst boerderijtje in een schilderachtige omgeving. Het voelt nu al goed! Terwijl de cursusleidster het toegangshek opent, begroet ze de deelnemers allerhartelijkst. Ik geef haar een hand en stel me voor.
‘Irene,’ herhaalt ze. ‘Oh. Ja. Jou wil ik straks even spreken.’ Geen toelichting. Ik volg de andere dames over het tuinpad en breek mijn hoofd. Waarover moet met mij gesproken worden?
‘Irene,’ hoor ik achter me roepen wanneer ik halverwege het pad ben. ‘Heb je even? Nu?’
Gedwee loop ik terug naar het hek waar de vrouw me apart neemt. Ze legt uit. Ze heeft me twee dagen eerder een mail gestuurd en het geld voor die ochtend teruggestort op mijn rekening.
‘Hè????’ Ik weet van geen mail, heb mijn bankrekening niet gecheckt.
‘Ik heb alle buitenstaanders afgezegd, alleen mijn eigen cursisten zijn welkom vandaag.’ De boodschap is helder: voor mij is geen plaats in deze herberg. De vriendin is al binnen, de auto waarmee we gekomen zijn (haar auto) staat volledig ingeparkeerd tussen andere auto’s en ik sta hier heel allenig te wezen.
‘Maar,’ stamel ik als de eerste de beste kleuter, ‘waar moet ik heen?’
‘Hoezo?’ vraagt ze. Voor haar is het duidelijk, ik ga terug naar huis.
Ik leg uit. Samen in één auto, geen openbaar vervoer, stad noch dorp op loopafstand. ‘Oké. Het is goed, je mag blijven als je het cursusgeld opnieuw overmaakt.’
Met lood in de schoenen loop ik even later weer over het pad. Het beeld van de warme, eigen plek die ik hier ging vinden, is inmiddels volledig opgelost.

Lente

De lente is aangebroken! Tijd voor een lange wandeling door het prachtige Noord-Hollandse polderlandschap. Eeuwenoude boerderijen, sloten vol hitsige eenden, wapperend wasgoed aan de lijn. Net als de eenden in het water, schieten mijn gedachten alle kanten op. Het is niet erg, ik ben alleen en hoef ze voor niemand te ordenen. Vandaag mogen ze dartelen als de paarden in de wei. Een intens gevoel van blijdschap daalt zomaar uit de lentehemel op me neer. Dan plopt er een vraag in me op. Wie was ik in het vorig leven? Tjonge. Ik weet niet eens of ik een vorig leven had, laat staan dat ik weet hoe dat eruit zag. Oké, laat de ideeën maar komen. Wie was ik? Hier tussen de boerderijen voel ik me gelukkig, was ik ooit boerin? Ik stel me voor dat ik een koe melk, een varken uit de modder trek, een boze haan de kop afhak. De rillingen lopen me over het lijf. Was ik een filosoof, een wetenschapper, een barones misschien? Filosofen houden van vragen, ik houd van antwoorden. Als ik ooit wetenschapper was, is daarvan geen enkel spoor in dit leven terug te vinden. En barones? Ik sla wat muggen van me af, haal mijn schouders op en stap stevig door. Op een bankje voor een houten huis geniet een vrouw zichtbaar van de eerste zonnestralen. Onwillekeurig steek ik mijn hand op, de vrouw wuift vrolijk terug. En dan weet ik het. In mijn vorig leven was ik een tevreden vrouw die genoeg had aan een houten bankje voor het huis. Met een lichtere tred zet ik koers richting de Gouwzee. Een gans klapwiekt een eindje met me mee.

Verlangen

Tweede Paasdag, 2018. Een druilochtend waarop manlief nog op bed ligt en ik in mijn trainingsbroek uit het raam zit te staren. Opeens denk ik aan de vele zondagochtenden waarop ik mijn iPad op schoot nam en stukjes schreef. Een heimwee naar de toetsen overspoelt me. Zal ik? Onwennig glijden mijn vingers over het toetsenbord. Er verschijnt iets op het scherm.

Sehnsucht.

Het woord roept onmiddellijk een gevoel op, al kan ik het niet verklaren. Ik google en leer dat Sehnsucht een onvertaalbaar Duits woord is dat “ziekte van het lijdzaam begeren” betekent. Tjonge, denk ik. Achter Sehsucht gaat blijkbaar een wereld van romantiek en pijnlijke passie schuil. Sehnen betekent letterlijk verlangen en Sucht betekent verslaafd zijn. Dus wordt het iets als: verslaafd aan het verlangen, aan dat wat er niet is, aan dat wat niet meer zal komen en aan dat wat is geweest.

En daar moet ik over bloggen???
De Duitsers kennen meer begrippen die wij niet hebben. Wat te denken van Weltschmerz? Pijn vanwege de onvolmaaktheid van de wereld. Of Fernweh? Het tegenovergestelde van Heimweh, een verlangen naar verte in plaats thuis.
Nou, vooruit. Laat ik me op deze druilerige tweede Paasdag maar eens openstellen voor mijn eigen onvervulde verlangens, en ervaren wat de dag me te bieden heeft. Voor iedereen: Frohe Ostern und vielleicht ein Neuer Anfang!

Huize Zonnegloren

Hij kijkt de dame eens goed aan. Goed gekleed, vuurrode nagels.
‘Wat is uw leeftijd, mevrouw?’
‘Tachtig.’
‘Tachtig? Dat is minstens tien jaar te jong.’
‘Op Facebook,’ begint de dame, ‘las ik over een cursuscentrum, een sportzaal, een sushi-bar. Dit wooncentrum lijkt me perfect.’
‘Dat is het ook. Maar u zou hier verreweg de jongste zijn.’ De man fronst diep.
De vrouw glimlacht, staat op en loopt naar het raam. ‘Alleen al dat zwembad, ideaal. Daar kan ik iedere ochtend mijn honderd baantjes trekken.’
‘Dat bedoel ik,’ antwoordt de man, ‘onze bewoners zwemmen er hooguit veertig.’
‘Ach.’
‘U zult als boodschappenjongen worden gebruikt. Kunt een onsje rosbief voor me halen, imiteert hij, en vergeet de appelsap niet, daar vroeg ik gisteren al om. Eerdere jonge bewoners hebben ons centrum om die reden verlaten.’
De vrouw haalt haar schouders op.
‘Nog iets. Hoe gaat u om met jaloezie?’
‘Hoe bedoelt u?’
‘We laten onze bewoners graag denken dat ze jong en vitaal zijn. Dat gevoel zal snel verdwijnen wanneer ze u zien.’
De vrouw loopt terug naar het bureau, blijft even staan en zegt: ‘Nu ik er toch ben, kunt u mij beter even rondleiden.’
De man staat op en doet wat ze vraagt.
‘Hier,’ zegt hij trots, ‘is onze sportzaal.’
Ze staat op de drempel en kijkt naar een vrouw die in de ringen hangt.
‘Goed, ik heb voldoende gezien. U kunt me naar buiten begeleiden.’
‘Van gedachten veranderd?’ vraagt hij.
‘Ja. Het was die vrouw in de ringen. Wat zij deed leek in de verste verte niet op een vogelnestje. Triest. Dank u voor uw tijd, misschien tot over twintig jaar.’ Read more

Een hoofd vol kraaien

‘Mijn herinneringen zijn als kraaien,’ zei de schrijfster Helga Ruebsamen ooit tijdens een interview. ‘Ze strijken neer in zwermen, waar en wanneer zij willen. Soms komen ze allemaal tegelijk en maken er een bende van. Soms is er geen enkele kraai, alleen doodse stilte.’
Toen we gisteren het café van Filmhuis Den Haag binnenstapten, wist ik onmiddellijk dat ik er ooit eerder was geweest. Ik wist zelfs nog aan welk tafeltje ik toen zat. Ook wist ik zeker dat ik er nooit een film had gezien.
‘Maar hoe zijn we hier dan beland?’ vroeg mijn man zich af. Een stroom onbevredigende theorieën volgde. Opeens fladderde er licht iets mijn hoofd. Het duurde nog geen halve seconde maar een van de kraaien in mijn hoofd had zijn werk gedaan.
‘Hebben we hier misschien toch een film gezien??’ fluisterde ik. Ook in het hoofd van mijn man steeg blijkbaar een kraai op. Hij herinnerde zich plotseling onze fietsen die geparkeerd stonden naast het filmhuis. ‘Dan waren we hier op een middag,’ redeneerde ik. Opnieuw gefladder in het hoofd. De kraaien legden weliswaar geen beelden bloot, maar wel een soort gevoel van zeker weten. We hadden hier eerder een film gezien. Maar welke? Een hele zwerm kraaien streek neer. Ze bewogen zich niet, ze krijsten niet, slechts af en toe fladderde er een veertje.
‘We hebben hier een film gezien,’ opperde ik, ‘en hij had iets te maken met de natuur.’
‘En zat er geen koning in?’ vroeg manlief opeens.
‘Een koning???’
We kwamen er niet uit, haalden onze schouders op, besloten de hele kwestie te vergeten en ons te concentreren op de film van die avond: -Three Billboards in Ebbing, Missouri-.
Toen we nagenietend van de prachtige film naar buiten liepen, hoorde ik, volkomen out of the blue, de kraaienkoningin -Lady Chatterley’s Lover- bauwen. Onwillekeurig bauwde ik haar na. Even was het stil naast me.
‘Ja, natuurlijk,’ juichte mijn echtgenoot, ‘Die film was het! En hij ging niet over een koning, maar over een landheer.’ Hij lachte besmuikt. ‘En aan natuurbeelden natuurlijk geen gebrek.’
Ik knikte, totaal overdonderd door het feit dat er een luikje in mijn hoofd was geopend waarvan ik niet wist dat ik het had.

Een nieuwe start??

‘Gelukkig,’ verzucht ze, ‘even vrij van alles. Tijd om te relaxen en om me voor te bereiden op het nieuwe jaar.’ Met een ijver die haar normale werklust ver overstijgt, boent ze op haar eerste vrije dag de badkamer totdat alle tegels en kranen glimmen. De spiegel, niet langer bedekt door een grauwsluier, toont haar wat nieuwe rimpels. Dag twee verloopt in een soortgelijk patroon. Kerstboom optuigen, kerstmenu bedenken, boodschappen doen, meer boodschappen doen, erop uit voor nog wat ingrediënten waar ze nooit eerder van heeft gehoord.
‘Zo,’ verzucht ze dan eindelijk, ‘het grote genieten kan beginnen.’ Precies zo denkt haar man erover. Ze laat zich meevoeren naar tentoonstellingen en verleiden tot winderige fietstochten.
De kerstdagen. Familie, eten, drinken, gezellig, gezellig, gezellig. Voor ze het weet zijn ze om. Wanneer ze de dag erna naar haar parketvloer kijkt, ziet ze dat er nog wat kerstvlekjes zijn weg te werken.
Opeens slaan de klokken, knallen de champagnekurken en spatten de vuurwerkpijlen in vele kleuren uiteen. Zonder enige geestelijke voorbereiding is ze het nieuwe jaar ingekatapulteerd. Overmorgen weer werken, denkt ze, en weet niet eens of ze dat erg vindt.

Writer’s block

Wat onwennig klap ik mijn iPad open. Weet ik de stappen nog? Pages openen, appeltje. Plaatje zoeken, eitje. Maar dan? Ik herinner me vaag iets met teksten. Vanachter welk onwrikbaar luikje kwamen die ooit tevoorschijn? Kant en klaar kwamen ze nooit tot mij. Ik herinner me gezwoeg, geploeter, eindeloos schaven, knippen, plakken en opnieuw beginnen. De moed zakt me in de schoenen. Schrappen en sleutelen is prima, maar waaraan? Een woord, een zin, een idee? Ik graaf dieper in mijn geheugen, het woord inspiratie dringt zich op. Is dat het? Smeult ergens diep in mij een zacht schrijversvuurtje dat slechts opgepord dient te worden om tot vlammende teksten te komen? Ik sluit mijn ogen, mompel een paar keer ZEN en wacht op wat komen gaat. Na een half uur ben ik het beu. Ik sta op en loop naar het Nespresso-apparaat. Dan flitst het door me heen. Laaiende schrijfvuren, influisteringen van hogerhand, lieftallige muzen…, wat denk je wel? Dat was toch nooit aan jou besteed. Wachten op inspiratie is als wachten op Godot. Kansloos. Jouw schrijversblok kan slechts op een manier bestreden worden: met de botte bijl. Allereerst sturen we de interne criticus op een enkele reis naar Siberië, dan geef je jezelf een ferme schop onder den kont, vervolgens heb je schijt aan alles om je heen (of maak dat in ieder geval jezelf wijs). Ik knik zacht, open een nieuw document, en klief mijn schrijversblok doormidden. Ziezo.

iPhone, iPad en iVriendin

Techniek en ik, geen combinatie om warm van te worden. Al een paar weken loop ik rond met een ongemakkelijk gevoel. Er moeten foto’s van mijn iPhone worden overgezet naar mijn huiscomputer. Maar hoe doe je dat?? Een paar avonden zit ik te klooien, het proces verloopt even stroef als de onderhandelingen op het Binnenhof.
Opeens, een idee! Zou het van iPhone naar iPad niet veel gemakkelijker gaan? Ik durf het niet te proberen. Straks ben ik alle foto’s kwijt. Nu heb ik een vriendin in Den Haag die Apple zo’n beetje heeft uitgevonden. Ik stop mijn telefoon en iPad in mijn tas, knutsel met wat losse stukken een verbindingssnoer in elkaar, en fiets naar Den Haag.
‘Zeg,’ begin ik voorzichtig, ‘weet jij hoe ik….’
Er volgt een technisch verhaal. Na precies 30 seconden snap ik er al niets meer van.
‘Kunnen we het niet gewoon even proberen?’ opper ik heldhaftig terwijl ik het zelf gefröbelde snoertje pak en de apparaten aansluit. Met verbaasde ogen kijkt de vriendin me aan. Mijn hart begint wild te kloppen. Straks blaas ik de hele boel op. Uitslaande brand in Den Haag!
Dan opeens daalt de magie neer in. De iPad vraagt me in heldere bewoordingen of ik misschien foto’s wil importeren. Ja, antwoord ik manmoedig. Binnen vier minuten staan alle foto’s van mijn mobiel op de iPad. Bijna schuldig kijk ik mijn vriendin aan. Zij bedankt me voor de demonstratie.