Huize Zonnegloren

Hij kijkt de dame eens goed aan. Goed gekleed, vuurrode nagels.
‘Wat is uw leeftijd, mevrouw?’
‘Tachtig.’
‘Tachtig? Dat is minstens tien jaar te jong.’
‘Op Facebook,’ begint de dame, ‘las ik over een cursuscentrum, een sportzaal, een sushi-bar. Dit wooncentrum lijkt me perfect.’
‘Dat is het ook. Maar u zou hier verreweg de jongste zijn.’ De man fronst diep.
De vrouw glimlacht, staat op en loopt naar het raam. ‘Alleen al dat zwembad, ideaal. Daar kan ik iedere ochtend mijn honderd baantjes trekken.’
‘Dat bedoel ik,’ antwoordt de man, ‘onze bewoners zwemmen er hooguit veertig.’
‘Ach.’
‘U zult als boodschappenjongen worden gebruikt. Kunt een onsje rosbief voor me halen, imiteert hij, en vergeet de appelsap niet, daar vroeg ik gisteren al om. Eerdere jonge bewoners hebben ons centrum om die reden verlaten.’
De vrouw haalt haar schouders op.
‘Nog iets. Hoe gaat u om met jaloezie?’
‘Hoe bedoelt u?’
‘We laten onze bewoners graag denken dat ze jong en vitaal zijn. Dat gevoel zal snel verdwijnen wanneer ze u zien.’
De vrouw loopt terug naar het bureau, blijft even staan en zegt: ‘Nu ik er toch ben, kunt u mij beter even rondleiden.’
De man staat op en doet wat ze vraagt.
‘Hier,’ zegt hij trots, ‘is onze sportzaal.’
Ze staat op de drempel en kijkt naar een vrouw die in de ringen hangt.
‘Goed, ik heb voldoende gezien. U kunt me naar buiten begeleiden.’
‘Van gedachten veranderd?’ vraagt hij.
‘Ja. Het was die vrouw in de ringen. Wat zij deed leek in de verste verte niet op een vogelnestje. Triest. Dank u voor uw tijd, misschien tot over twintig jaar.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *